te·ken het; o -s 1 de; mv ook -en blijk, symptoom, verschijnsel: (g)een ~ van leven geven 2 voorteken 3 zinnebeeld, symbool 4 middel om iem of iets aan te duiden: de ~s ± en −; gedenkteken, leesteken 5 zichtbaar of hoorbaar middel om iets te kennen te geven; sein, signaal: op het afgesproken ~ 6 sterrenbeeld: onze tijd staat in het ~ vd techniek, wordt erdoor beheerst.